Onvermogen

Ik was een jaar of acht en vroeg de juffrouw in de klas hoe het zat met de uitlaatgassen van de auto’s. Was het niet erg dat we die viezigheid de lucht in bliezen?

‘Dat lossen de bomen en de planten op, zij maken de lucht weer schoon’ – ik tuinde erin als kind.

Dit was pak ‘m beet 55 jaar geleden. Over het klimaat maakte de wereld zich geen zorgen.

Het is goed mogelijk dat mijn juffrouw van toen nog leeft. Dan is zij nu vast een lieve, wijze oma. Wat zou zij zeggen als ik haar die vraag vandaag de dag opnieuw stelde? Zou haar antwoord nu net zo onbekommerd zijn?

De reactie van mijn juffrouw paste naadloos in het sentiment van haar tijd. De westerling was in het derde kwart van de twintigste eeuw, ruwweg vóór de eerste oliecrisis, hoopvol gestemd. Alles was mogelijk en alles werd beter. Waarom zou je dan al te kritisch zijn? Natuurlijk zag zij ook wel dat ik in mijn kinderlijke oprechtheid aan iets raakte dat volwassenen voor het gemak negeerden, maar voordat mijn zorg echt een probleem kon worden was er allang een oplossing, dat was zeker. Ze vertelde mij liever een naïef sprookje dan op lastige materie in te gaan.

Het ging ons goed hier in het Westen. Dat daarvoor sluipenderwijs een rekening werd opgemaakt wisten we best, maar die mocht het plezier niet verpesten. Lang hebben we daarom alle dissonanties die er waren en die ons als tekenen aan de wand waarschuwden, weg gesust. Te lang. Dissonant waren niet alleen de vieze uitlaatgassen, dissonant waren ook de vluchtelingen, de kindslaven, de plasticsoep, de olierampen, de verwoestijning, enzovoort. Het is maar een kleine greep uit een tragische lijst van wat het Westen niet storen mocht.

Maar in plaats van eerlijk tegen elkaar te zijn en de rekening te lezen, bleven we elkaar wijsmaken dat alles goed ging. De sprookjes stapelden zich op en de problemen ook. En nu de wereld om ons piept en kraakt als een sleetse langspeelplaat die niet in staat is nog langer vrolijke muziek te laten horen, schrikken we wakker uit de droom en merken we dat ons hoopvolle gemoed heeft plaatsgemaakt voor een ander sentiment: angst.

De westerling is bang geworden, bang dat zijn kinderen het minder goed zullen hebben dan hijzelf, bang dat andere culturen zijn ‘eigenheid’ aantasten, bang dat hij zijn rijkdom delen moet, bang dat populisten en autocraten de macht in handen krijgen, bang dat dat juist niet gebeurt, bang dat China de nieuwe wereldleider wordt, bang dat Poetin op de rode knop drukt.

Bang is hij ook dat de oceaan hem op gaat slokken. En het is die angst die het meest gegrond van alle is. Want zo onnozel was mijn vraag niet als achtjarige, de zondvloed ontwikkelt zich inmiddels in rap tempo en dat die ook het obees rijke Westen gaat treffen is onontkoombaar.

Fysicus en schrijver Carlo Rovelli merkt hierover op in zijn boek Zeven korte beschouwingen over natuurkunde (p. 90):

Ik denk dat onze soort niet lang zal voortbestaan. Ze lijkt niet uit hetzelfde hout gesneden als schildpadden, die in min of meer dezelfde gedaante al honderden miljoenen jaren bestaan, honderden keren langer dan wij. We zijn een kortlevende soort. Onze neven en nichten zijn al allemaal uitgestorven. En wíj richten schade aan. De klimaat- en milieuveranderingen die we hebben veroorzaakt zijn ingrijpend en zullen ons vermoedelijk niet sparen.

Carlo Rovelli

Hij schreef dit acht jaar geleden al op, toen de wereld nog vol was van klimaatontkenners.

We zijn in een situatie beland die we niet meer gaan herroepen. Niet omdat dat in praktische zin niet kan, want met een uiterste krachtsinspanning zou het moeten lukken, maar omdat we niet met het vermogen begiftigd zijn ons gedrag te veranderen. Onze reflex is te primitief, te instinctief. We zien het gevaar, en de consequente reactie van de politiek en de publieke opinie is de blik af te wenden en op de oude voet door te gaan. We handelen als alle andere dieren; alleen gevaar dat ons direct bedreigt maakt indruk.

Rovelli’s pessimistische oordeel is niet uitzonderlijk in de wetenschappelijke wereld. In zijn essay in opinieweekblad De Groene Amsterdammer van 23 maart 2022 maakt klimaatjournalist Jaap Tielbeke melding van de moedeloosheid die, als gevolg van de inertie van de politiek, het bedrijfsleven en de consument, heeft postgevat onder klimaatwetenschappers. Tielbeke vertelt dat een enquête gehouden door het wetenschapstijdschrift Nature onder 234 auteurs van het op één na laatste IPCC-rapport liet zien dat maar vier procent van hen geloofde dat de Parijse doelstelling van anderhalve graad gehaald zal worden. Zes van de tien respondenten gaan ervan uit dat de aarde tegen 2100 drie graden zal zijn opgewarmd.

Het vertrouwen is eruit bij de minder instinctieven – in die fase zitten we. Een oplossing achten zij niet meer realistisch. Bij hun is het kwartje allang gevallen. Al die tijd dat we ons voorhielden dat het beter ging, zaten we in feite op het verkeerde spoor. Generaties politici, denkers, ondernemers, intellectuelen en, ja, dus ook wetenschappers zelf, leidden ons in naam van de vooruitgang richting de ondergang. Veel van hen doen dat nog, met name in de politiek.

Zie je, vertellen de 234 IPCC-auteurs ons, hoe onmogelijk het is om dat toe te geven? Zo’n historische blunder. Zie je ook dat er dus niets zal veranderen, niet op tijd? Want wie durft de schuld te dragen, wie durft te bekennen dat hij fout zit?

Hoe voelt het om in te zien dat de wereld zoals wij die kennen niet gered zal worden? Ik weet niet hoe dit besef bij jou binnenkomt, maar bij mij veroorzaakt het een pijn als van het verdriet om een groot nabij verlies. Een verlies waarmee je je moet verzoenen omdat het onomkeerbaar is, omdat met het beminde dat verdwenen is je eigen bestaan voor een stuk gestorven is. Omdat het te onvatbaar en te definitief is. Omdat je weet dat er niets meer terugkomt, alleen herinneringen. Omdat je, zo begrijp je, zonder verzoening nooit in het reine kunt komen met de nieuwe werkelijkheid.

Ik heb deze gevoelens lang van mij weggeduwd. Er was een film voor nodig om ze toe te laten. Dat was de documentaire The Magnitude of All Things van Jennifer Abott uit 2020. De documentaire begint met de rouw van Jennifer om haar zus. Wij zien bij aanvang van de film hoe zij in een brief aan haar familie en vrienden vertelt dat haar lichaam is aangetast door kanker en dat zij nog maar kort zal leven.

Jennifer herinnert zich de wandelingen die zij als kinderen samen maakten door de ongerepte Canadese natuur. Zij wil die tijd terughalen, maar wanneer zij de wandelingen opnieuw maakt komt zij een verminkte schoonheid tegen: de rivieren zijn leeg, de bossen geslonken, de sneeuw die neerdwarrelt in de lente blijkt as te zijn van brandende bomen ver weg. Jennifers rouw wordt gaandeweg ook een rouw om de aarde.

Ik voelde het verdriet ook. En tegelijkertijd bekroop me de twijfel. Want hoe eerlijk is het verdriet om de aarde van wij die dat voelen, dacht ik. Is het eerlijk genoeg om compassie te verdienen of zijn het meelijwekkende krokodillentranen van kinderen die zichzelf in hun eigen spel hebben vergaloppeerd?

Waar is ons verdriet op gericht? Op het verlies van de natuur om ons heen? Of treuren we uit spijt – om het feit dat we het allemaal zelf veroorzaakt hebben, dat we die macht hadden en hem ook hebben ingezet? Hebben we zo’n zelfmedelijden dat de tranen die vloeien tranen zijn van schuldbesef? Is ons verdriet niet eigenlijk een uiting van arrogantie? Ontneemt het ons niet juist ons laatste recht op mededogen?

Het is allemaal heel verwarrend. Als er nog íets voor ons pleit, dan is het hooguit het gegeven dat het ernaar uitziet dat we niet meer zijn dan een evolutionair slachtoffer, een experiment dat weinig bestendig is omdat zijn onvermogen de zwakke schakel is, een soort die niet de genade kent van de taaiheid van de schildpad. En wat daarachter steekt, de zin van het experiment, daar komen wij nooit achter.

Eind mei op de fiets, op de groene paden van Amsterdam naar Haarlem, hoorde ik de koekoek. Dat was sinds jaren. En de zon scheen en het koolzaad stond wiegend in de berm als een rivier van gele bloemen. Mijn hart sprong op. Tja, dacht ik, die aarde, zij stijgt ons begrip te boven, wij zullen haar nooit vatten. Zij die ons heeft voortgebracht blijft maar schenken, zonder wrok. Of wij nu eerlijk zijn of niet. Dat is pas compassie.

Zwermgeest

Vanaf tien hoog, waar ik woon, kan ik het goed zien: zwermen spreeuwen die dansende capriolen uithalen in de avondzon, alsof zij grote swingende organismen zijn.

Een school vissen kan zich ook zo gedragen: een zilveren zwier, en het hele boeltje zwemt zomaar de andere kant op.

En wandel op een zonnige zaterdagmiddag eens vanaf de Dam het zebrapad over naar de Kalverstraat. Het is haast onmogelijk om daar een individueel loopje van te maken; de zuigkracht van de mensenstroom beteugelt onmiddellijk elke afwijkende gedraging. Je móét wel mee met het collectief.

Zwermgeest – zo heet dat verschijnsel – oogt als een onmogelijke coördinatie van ontelbare individuen, een geheimzinnige hand die vat lijkt te hebben op de hele groep.

Ik kwam het woord ‘zwermgeest’ tegen in het boek Botanische revolutie van Norbert Peeters (2017). Dat handelt over Charles Darwin en zijn plantenleer.

Botanie besloeg de helft van Darwins loopbaan, maar daar kennen wij hem nauwelijks van. Denken wij aan Darwin dan denken wij vooral aan de Galapagosarchipel met zijn reuzenschildpadden en Darwinvinken. Op het familielandgoed Down House experimenteerde Darwin er in zijn kassen echter lustig op los met planten. Zijn revolutionaire evolutietheorie stoelt voor veel meer dan wij beseffen op wat hij daar allemaal zag gebeuren in een groene wereld.

In relatie tot Darwin kwam ik het verschijnsel zwermgeest dus tegen. Het schijnt ook van toepassing te zijn op de wortels van planten. Uit het zicht voor ons volgen ze elkaar allemaal een bepaalde richting uit. Naar vruchtbare zachte aarde, water, of weg van gevaar.

Zwermgeest. Zie je het neergeschreven staan? Intrigerend. Het drukt iets heel anders uit dan gewoon een zwerm, een school of een menigte. Dit gaat over een beweeglijk wezen, een wezen met een wil.

Van de groene wereld naar de politieke wereld.

Economie wordt wel het wetenschappelijke instrument van regeringen genoemd. Economie heeft niet zoveel op met de beweeglijkheid van de zwermgeest. Zij is een behoorlijk starre ‘wetenschap’: twee eeuwen economisch denken hebben niet veel anders opgeleverd dan financiële groei als richtinggever voor vrijwel elk landsbestuur.

In de eerste helft van de vorige eeuw bedachten economen het bruto binnenlands product. Dat bbp ontwikkelde zich tot een welhaast solitaire maatstaf voor landssucces en een blije burgerij. Er zijn maar weinig regeringen die het bbp niet als basisprincipe voor hun beleid hanteren – Bhutan met zijn bruto nationaal geluk is echt een uitzondering.

Het bbp moet groeien, dat werd de grondidee van politiek-economisch beleid, dan kwam alles goed. We hebben dat geloof trouwhartig een eeuw gevolgd en het einde komt nu in zicht. De groeicurve vlakt af. De vruchten die we plukken, proeven ook steeds wranger: we eten de aarde op, we vervuilen het eigen nest.

Het wordt tijd voor een zilveren zwier. Maar waar is die geheimzinnige hand die vat heeft op de hele groep? We lijken collectief vast te zitten in een beperkende politieke overtuiging die zegt dat de voornaamste taak waar onze leiders zich mee bezig dienen te houden, de steeds verdere toename van materiële welvaart is. Niet weg van het gevaar, zoals de wortels van planten, maar liever recht eropaf. En – passend bij een beperkende overtuiging – we zien het niet.

Ik heb geen beste mededeling: wij zijn misschien de laatste generatie die de collectieve draai kan maken. Ons huis is behoorlijk aan het veranderen, door ons eigen toedoen. Desalniettemin houden economie en politiek ons halsstarrig voor het lapje met de ‘wet’ dat het bbp moet groeien. Wat te denken van die andere wet, die van de evolutie? ‘Survival of the fittest’ zit hem nog steeds in wie zich het beste weet te ‘fitten’ naar omstandigheden die wijzigen.

Economie gaat van oorsprong niet over financiële groei, maar over het huis op orde houden. Het is niet dat ik dat hier bedenk, het is haar letterlijke betekenis. Zoek het maar eens op.

Het huis op orde houden –  kunnen wij zelf ook iets doen?

Wij zouden ons eens kritisch af kunnen vragen hoe het zit met de flexibiliteit van ónze zwermgeest. Gewoon even los van die politiek en economie waarnaar het zo makkelijk wijzen is. Maar dat is een lastige.

In de documentaire De Achtste Dag, die handelt over de bankencrisis van 2008, vraagt Wouter Bos (toenmalig minister van financiën) zich af of we de boel na de crisis werkelijk hebben bezworen. Je ziet zijn gezicht betrekken. Nee, concludeert hij, tot tweemaal(!) toe. De kern van het probleem – onze zucht naar materiële bevrediging – is nog steeds onveranderd.

Wie aan onze weelde durft te tornen, tornt aan onze vrijheid. Zo wordt dat gezien. Ik voelde boosheid in mij groeien toen ik met veel vrolijkheid op de radio hoorde vertellen van een nieuwe boektitel: Pinnen in Mongolië en andere oplosbare reisongemakken. Is dat waar wij ons druk om maken als we massaal eropuit vliegen? Ik kan nog wel wat heftiger ongemakken bedenken als resultaat van dat gedrag.

Vrijheid vertalen in materiële rijkdom en in kunnen gaan en staan waar we willen, zijn uitingen van geestelijke armoede. Kate Raworth (2018) zegt daar iets vinnigs over in haar Donuteconomie: ‘Als het over consumentisme gaat, bestaat de armoede die we proberen te verhullen misschien uit onze verwaarloosde relaties met anderen en met de natuur.’ Ze moet ook boos zijn geweest.

Kate Raworth pleit voor een paradigmaverschuiving in de economische discipline. Zij keurt het blinde geloof in marktwerking en in bbp-groei af. Ze hecht aan een economisch model dat is ingebed in de maatschappij en de natuur, en waarin de gezonde verhoudingen worden hersteld. In zo’n model is op veel vlakken bemoeienis van de overheid nodig. Haar denken druist volledig in tegen de heersende opvattingen. Maar Kate Raworth brengt iets teweeg. Zij is zelf econome, zij weet waarover zij spreekt en weet gestaag andere economen mee te krijgen.

In de economische wereld zijn er vogels die een zwier weten aan te zwengelen. Moeten wij niet ook de geest gaan krijgen? Wij, consumenten. Onze zo gewaardeerde vrijheid is natuurlijk prachtig, maar is die slechts tot uitdrukking te brengen in consumeren wat we willen? Of zijn er nog andere manieren, bijvoorbeeld onszelf als mens ontwikkelen en ons intussen tevreden stellen met minder materiële zaken.

Misschien word je wel somber van zo’n moraliserende vraag. Maar ik stel hem toch, want er is eigenlijk geen keuze meer. Een collectieve draai is nodig. Het zou namelijk zo zonde zijn als die dansende spreeuwenzwermen in de schemerende avondzon niet ook door volgende generaties kunnen worden gezien.

Plasticmijn

Steeds als ik erlangs loop komt de ergernis. Dat moet ik niet toelaten; ik ben zen genoeg om dat te snappen.

Onze flat staat in een buitenwijk van Amsterdam. Hij is zestig jaar geleden gebouwd, kort na mijn geboortejaar. Links en rechts van het gebouw lopen twee brede, rafelige sloten. Die strekken zich uit langs nog zes andere flats, identiek aan de onze. Ze zijn parallel aan elkaar neergezet, over een afstand van circa zevenhonderd meter. Ertussen liggen speelplekken, parkeerplaatsen en forse plantsoenen met veel flinke, volwassen bomen.

De walkanten van de sloten zijn dicht begroeid met riet en ruige planten. Op de oevers staan populieren, iepen, treurwilgen en espen. Van die laatste ratelen de bladeren bij het minste zuchtje wind. Het kruid tussen de bomen staat in het voorjaar en in de zomer hoog. Het bloeit geel, wit, rood en paars. En het ruikt naar de zuurtjes waar ik als kind op sabbelde als we lange autoritten maakten.

De sloten en hun oevers maken deel uit van een ecologische verbindingszone. Ze koppelen natuurgebieden, die hier stoten op de randen van de stad, aan elkaar. Ze bieden watervogels, vissen, amfibieën, kleine zoogdieren en allerlei ander kruipend en zwemmend spul een semi-natuurlijke doorgang van het ene naar het andere leefgebied. De natte oevergrond is een goede bodem voor zeldzame plantensoorten.

Op één plaats worden de sloten onderbroken door duikers om er een straat overheen te laten gaan. Daar staan informatieborden op de stoep die dat van de planten en het kruipend spul allemaal uitleggen. Ze staan zodanig gericht dat je onder het lezen over het water uitkijkt.

Ik heb geluk, ik woon in de stad én middenin de natuur.

Naast een van de sloten, pal tussen ons gebouw en de oever, onder de takkenbogen van de oude bomen door, loopt een fiets- en wandeldijk. Ik ga er dagelijks overheen; het is de kant van onze flat-entree.

Eigenlijk moet ik dan het groen zien, de bloemen ruiken en het gekwetter van de vogels horen. Maar telkens duikt er ergernis op die dat verhindert. Alles wat ik zie zijn plastic flesjes, blikjes, tassen van de Lidl, Dirk en AH, en sigarettendoosjes met de afbeeldingen van de meest gruwelijke mismakingen die hun bedoelde uitwerking hebben gemist. Leeggemaakt en afgedankt, neergewaaid en weggeworpen ligt het allemaal daar, opgevangen door de planten.

Is de mens de vieste diersoort ooit? Ik geloof het wel, zo gedreven als hij zich omringt met zijn eigen rommel.

We prikken wel eens een ochtend zwerfvuil met buurtgenoten. Dan hebben we vuilniszakken vol. Tien is vrij normaal. Woon ik op een afvalberg? Doe het maar eens in je eigen buurt; jouw wijk is vast niet anders dan de mijne.

Dat prikken helpt. Het ruimt rommel op en ergernis. Je hebt het even in de hand, een beetje. Ik heb wel gemerkt dat je op moet passen – het is verslavend. Ik prik daarom met mate.

Natuurlijk, het is geen oplossing. Daarom heb ik een maand of wat terug een mail gestuurd naar de gemeente: of er van officiële zijde iets structureels kan worden ondernomen. Ik heb geschreven dat ik wekelijks afval raap en dat de boel de volgende dag direct weer onder het plastic ligt. Ik heb ook geschreven dat het zwerfvuil deprimerend is, het woongenot bederft, en de gezondheid bedreigt van de mensen en de vogels. Het eerste klopt niet helemaal, het tweede is volledig waar.

Ik kreeg dezelfde dag nog een reactie, maar zonder antwoord. Dit kost wat weken, stond erin geschreven. Je gaat niets cynisch lezen nu – ik wacht het rustig af.

Toen ik dit voorjaar op een eerste milde avond in het schemerlicht onder de grote bomen door over onze dijk liep, herkende ik een net gearriveerde zomergast. Een kleine, sympathieke vogel. Hij zat ergens hoog. Ik zag hem niet, maar hij verried fluitend wie hij was: ‘Tjiftjaf, tjiftjaf, tjiftjaf.’

Het kwam uit de hoek van de oude dode spechtenboom. Die werd omgeblazen bij de laatste februaristorm. Hij was zo doorploegd door keverlarven, uitgehakt door spechten en aangevreten door uitpuilende zwammen dat hij wel plat moest gaan. Ik zocht met mijn ogen omhoog, langs de recht opgaande levende stammen ernaast, maar vond geen tjiftjaf.

‘Tjiftjaf, tjiftjaf, tjiftjaf.’

Mijn uitdager liet nu van zich horen vanuit de kruin van een iep iets verderop. Het was onmogelijk hem nog te spotten tussen het jonge blad, ik gaf het op en liep door. Ik had hem gehoord; dat was genoeg en mooi.

Voor veel zomergasten moet mijn buurt een paradijs zijn, met zijn groene beschutting, water en insecten. Ze kwetteren luidkeels van zonsopgang tot zonsondergang. Soms gaat het ’s nachts nog door. Daar zorgt de stadsverlichting voor.

Hun opgewektheid is verbazingwekkend. Ze nemen af in aantal, maar maken zich niet druk om hun extinctie. Wel om hun vrolijke strijd daartegen – hun jaarlijkse spel van paren en broeden en nageslacht opvoeden. Ze gaan hun hormonen achterna.

Ze hebben het vast beter door. Op elk moment dat ik mij stoor aan het plastic, het papier en de weggeworpen blikjes onder hun nesten, vieren zij het grote wonder.

Dit zul je niet geloven!

De gemeente heeft zojuist gebeld: ‘Wij danken u voor uw mail en voor uw inzet. Blijf prikken met uw buurt. Zichtbaar bezig zijn werkt preventief. Intussen sturen wij de veegwagen nog eens langs, en de wijkagent, en de buurtbus. Het budget beperkt ons, dat zijn oude afspraken, maar wij doen wat we kunnen.’

*

Zodra we zoveel era verder zijn dat het antropoceen de diepe tijd is, de grote steden verkruimeld, uitgewist en onder dikke lagen sediment bedolven, is er vast een nieuwe intelligente soort. Die kan hier dan houwelen in de grond slaan en er een plasticmijn beginnen.