Vleugelslagen

Och, laat ze zich belangrijk voelen,
de echte kunst is aan de vogels.
Te leven zonder dagen van de week,
te leven zonder vastgekleefd te zijn.

Ik zou er wat voor geven,
kon ik hun kunst verstaan.
Gebonden aan de mensenwereld,
word ik uit elk moment gehaald.

Geregistreerd in tijd en ruimte,
genoemd in andermans agenda,
verwacht op een locatie –
onwaarachtig onmisbaar zijn.

Tot er een dag komt,
voor eenieder onverbiddelijk,
waarop al die gewichtigheid
eenvoudig vliegangst bleek.

Dan wordt er even echt geleefd,
als je de kans krijgt op de drempel.
Begrijpen wat belangrijk was,
niet meer tijd en plaats aanbidden.

Ik zou er wat voor geven,
als dat het hele leven kon.
Dat het zou gaan op vleugelslagen
en mensen zonder plannen waren.

The Fountainhead

Een zeker weten van onmenselijke proporties – dat is waar architect Howard Roark, protagonist uit The Fountainhead van Ayn Rand (1943), mee behept is. In juli las ik de Nederlandse vertaling, De eeuwige bron (1975, 2018, Uitgeverij Luitingh-Sijthoff BV, Amsterdam).

Roark twijfelt niet aan zijn creaties. Zij zijn het goede en het schone; dat is zijn diepste overtuiging. Die enorme zekerheid maakt hem sterk en onkwetsbaar. Wat zijn integriteit ten aanzien van zijn creatieve ideeën aangaat, is hij onbuigzaam. Hij doet geen druppel water bij de wijn voor zijn opdrachtgevers, wat de gevolgen voor hem persoonlijk ook zijn.

En die gevolgen gaan ver. Hij raakt aan lager wal en in diskrediet, en wordt publiekelijk gehoond. Het deert hem in geen enkel opzicht. Hij wordt er niet door geïntimideerd; hij bouwt namelijk niet voor anderen, hij bouwt vanwege het bouwen zelf, om uitdrukking te geven aan een ideaalbeeld dat afwijkt van de gangbare conventies.

Als je dieper leest en Ayn Rands bedoelingen probeert te doorgronden, dan wordt duidelijk dat Roarks integriteit niet stopt bij trouw blijven aan zijn creatieve ideeën. Het gaat hem eerder nog om het geloof dat hij in zichzelf heeft. Hij wil zijn overtuigingen niet verloochenen noch bijstellen. Zou hij dat doen dan zou hij verraad plegen aan zichzelf. En hij zou het altijd weten want hij beseft dat het, juist omdat het om hemzelf gaat, onmogelijk is van het verraad geen kennis van te hebben.

Roark bedankt ervoor om met die wetenschap door het leven te moeten – hij weigert die pijn, die de meeste mensen al te goed kennen, te dragen. Ayn Rand schetst in Roark een heroïsche persoon, passend in haar filosofische denkbeelden. Roark is haar ideaalbeeld van een mens.

Roark is de onkwetsbare, de held – de enige die niet lijdt in The Fountainhead. Alle anderen doen dat wel. Zij komen allemaal op een punt waarop zij geconfronteerd worden met de gevolgen van hun toegeeflijkheid aan de wereld, een toegeeflijkheid die leidt tot zelfverraad.

Allemaal, op één personage na. Dat is schrijver-demagoog Ellsworth Toohey. Ook hij staat pal voor zijn idealen, zij het dat in hem niet het goede en het schone wortelt. Hij verbeeldt Roarks antipode, de collectivist. Roark is de individualist.

Toohey fungeert tevens – daar raakte ik al lezende steeds meer van overtuigd – als personificatie van het Sovjetsocialisme, dat Ayn Rand verafschuwde; zo toonde zich in haar ogen het ultieme kwaad aan de wereld. Zij rekent er in The Fountainhead op geraffineerde wijze mee af.

Ayn Rand werd in 1905 geboren in Sint Petersburg in een apothekersgezin. Ze maakte de onderdrukking van de bourgeoisie door de bolsjewieken mee. Toen zij in 1925 een familiebezoek mocht afleggen in de Verenigde Staten, keerde zij niet terug naar de Sovjet-Unie; zij werd Amerikaanse. De VS beschouwde zij als het prototype van een natie die haar onderdanen in volkomen vrijheid liet leven.

Zij vond er de plek waar zij haar filosofie van het individualisme kon uitwerken tot het Objectivisme. Haar denkbeelden waren van grote invloed op hoe de Amerikaanse samenleving zich in de vorige eeuw ontwikkeld heeft.

Dichtgetimmerd

Ik voel de trilling, tegelijkertijd galmt de klap. Klaarwakker ben ik, met mijn ogen nog dicht, rechtstreeks vanuit een diepe slaap.

Een fractie van een moment is het doodstil, een vacuüm, de dampkring die zijn adem inhoudt. Dan barst het gekrijs los. Duizenden vogels, totale paniek. Meeuwen, meerkoeten, ganzen, kraaien, alles wat zich luidkeels kan laten horen doet dat. Het is de doodsangst voor een verschijnsel dat onaards is.

Ik open mijn ogen richting de groene lichtcijfers van de wekker. Het is net na vijven.

Een tweede klap, weer die luchtverplaatsing. Via de betonconstructie, via de poten van het bed, langs de bedspiraal, door de matras heen baant zij zich een weg naar mij toe – naar binnen, naar mijn ingewanden. Ruiten trillen in hun sponningen.

Ik hoor mensen op de galerij. Gedempte stemmen zeggen iets, verder weg, in een taal die ik niet versta. Een belegen geur van sigaretten dringt de slaapkamer in door de kier van het openstaande raam. Vermoedelijk staat bij buurman T, die kettingrookt, de voordeur open.

De tweede klap leek iets minder heftig of was verder weg. Een derde volgt. Geen trilling meer. Het geweld verwijdert zich, het angstgekrijs niet.

Er zijn sirenes in aantocht. Ze stoppen als ze vlakbij zijn. Tussen Meer houdt ze tegen, denk ik. Die weg is opgebroken vanwege de trambaan die vernieuwd wordt. Geen idee hoe het nu verder gaat.

Er klinkt zenuwachtig gesmiespel buiten. Mijn brein fantaseert het beeld erbij van nieuwsgierige buurtbewoners in badjassen en pyjama’s. Opnieuw volgen er drie klappen, haast in hetzelfde ritme als zojuist. Opnieuw minder luid. Op meer afstand, concludeer ik.

Wat is dit? Criminele baldadigheid met zelfgemaakte donderbussen van het kaliber tankgranaat, verboden vuurwerk, bomaanslagen? Het knalt wel vaker in de wijk maar dit is artilleriegeschut.

Ik moet denken aan het college van de ochtend van de voorgaande dag. De docent toonde een paar minuten van een documentaire over Grozny, de Tsjetsjeense hoofdstad die in twee oorlogen totaal aan puin geschoten werd.

Ik zag beelden van een flat die vanuit een tank beschoten werd, maar die al zo kapot was dat het idioot was. Ik zag een oude vrouw schuifelen in een verlaten straat vol kraters, brokstukken, gruis en betonruïnes. Ik zag het rood van explosies in karkassen van wat ooit gebouwen waren, alsof de zon erin onderging.

Al die beelden waren gehuld in een mist van stof, een dystopie van grijstinten waarin alleen bloed en vuur nog kleur hadden. Ik werd in de les licht misselijk van zo veel zucht om stuk te maken. Het is ironisch, Grozny betekent verschrikkelijk.

In mijn bed komen die beelden terug. Wat, denk ik, doen deze klappen met de mensen in de wijk die een Grozny hebben meegemaakt? Ik weet dat ze hier zijn.

Nog meer sirenes volgen. Verderop nu. Net als weer een klap. Ik wacht op de andere twee en hoor nog steeds de vogels, hoewel minder. Zijn ze gevlucht?

Een paar uur later word ik wakker, onrustig. De klappen die ik nog verwachtte, heb ik niet meer meegemaakt. Van buiten klinkt het gesnater en gekwetter als vanouds. Er spelen kinderen en er wordt gewerkt aan de trambaan. Er start een mooie zomerdag in een Amsterdamse buitenwijk.

*

De klappen na de eerste waren geen explosies verder weg, het moeten kleinere springladingen zijn geweest. Al wekenlang ruik ik als ik vanaf het flatgebouw waar ik woon de hoek naar Tussen Meer omloop, de scherpe geur van de brand die er heeft gewoed. Drie kleine zaken zijn er voorlopig beroofd van hun nering. Ze zijn dichtgetimmerd. Grove spaanplaten verstoppen wat er is gebeurd.

Bijna … want bij de middelste winkelpui zijn boven en onder de barricadering sporen van zwartgeblakerd metselwerk te zien en er hangen resten van een gesmolten regenpijp. Links was een restaurant, rechts een kebabzaak, ertussenin een kiosk annex postkantoor. Dáár hing de geldautomaat.