Ertussenuit gepiept

Gisteren werd er even over gesproken. Henny Vrienten is er dit voorjaar ‘tussenuit gepiept’. Zijn lied Het gaat niet over was opgenomen in het programma. Meer dan alleen als een zomergeluid passend in de Dienst zonder god, mochten we dat interpreteren als een eerbetoon aan hem.

Het gaat wel over. Doodgaan is de derde grote daad die een mens kan stellen in zijn leven. ‘Kan’ omdat het ook de tweede zijn kan. De eerste is geboren worden, de optionele middelste is nieuw leven verwekken.

‘Ertussenuit gepiept.’ De daad van doodgaan is te ingrijpend voor grote woorden. Henny Vrienten is een stukje van mijn jonge jaren. Toen ik in april over de radio hoorde van zijn sterven, gebruikte ik dezelfde woorden. Zo ook toen mijn vader stierf, en een zus. Alsof er iets vrolijks had plaatsgevonden, om de grote daad te bagatelliseren.

Het zijn woorden die vooral zeggen: ik bescherm nu mijzelf tegen zware balken die drukken op mijn gemoed. Balken die zo zwaar zijn omdat zij een stellage moeten vormen die iets dragen moet dat ondraaglijk is.

‘Ertussenuit gepiept’ is geen symptoom van een taboe. Het is een sympathiek gebaar naar die wie er niet meer is. We doen even alsof dat nog niet zo is, niet definitief. We doen even alsof we met ons hoofd om de hoek kunnen roepen: ‘Kom er nog even bij!’

We sluiten nog niet definitief de kring, maar houden een plaatsje vrij.

Het is ons spel met de dode. We zouden zo graag horen hoe het aan de andere zijde is: ‘Kom en vertel het ons, nu het zo kort geleden is en je nog in de buurt moet zijn.’

Niet uit nieuwsgierigheid, eerder uit wanhoop. Als er een kans is om nog een hand te schudden, een kus te geven, elkaar te omarmen, elkaar in de ogen te zien en iets oprechts te zeggen, dan is het deze.

Want nu voelen we de warmte nog, en ruiken de geur van de ander. Zodra die zijn afgekoeld en vervlogen, is de stoel onherroepelijk uit de kring geschoven.

Zwermgeest

Vanaf tien hoog, waar ik woon, kan ik het goed zien: zwermen spreeuwen die dansende capriolen uithalen in de avondzon, alsof zij grote swingende organismen zijn.

Een school vissen kan zich ook zo gedragen: een zilveren zwier, en het hele boeltje zwemt zomaar de andere kant op.

En wandel op een zonnige zaterdagmiddag eens vanaf de Dam het zebrapad over naar de Kalverstraat. Het is haast onmogelijk om daar een individueel loopje van te maken; de zuigkracht van de mensenstroom beteugelt onmiddellijk elke afwijkende gedraging. Je móét wel mee met het collectief.

Zwermgeest – zo heet dat verschijnsel – oogt als een onmogelijke coördinatie van ontelbare individuen, een geheimzinnige hand die vat lijkt te hebben op de hele groep.

Ik kwam het woord ‘zwermgeest’ tegen in het boek Botanische revolutie van Norbert Peeters (2017). Dat handelt over Charles Darwin en zijn plantenleer.

Botanie besloeg de helft van Darwins loopbaan, maar daar kennen wij hem nauwelijks van. Denken wij aan Darwin dan denken wij vooral aan de Galapagosarchipel met zijn reuzenschildpadden en Darwinvinken. Op het familielandgoed Down House experimenteerde Darwin er in zijn kassen echter lustig op los met planten. Zijn revolutionaire evolutietheorie stoelt voor veel meer dan wij beseffen op wat hij daar allemaal zag gebeuren in een groene wereld.

In relatie tot Darwin kwam ik het verschijnsel zwermgeest dus tegen. Het schijnt ook van toepassing te zijn op de wortels van planten. Uit het zicht voor ons volgen ze elkaar allemaal een bepaalde richting uit. Naar vruchtbare zachte aarde, water, of weg van gevaar.

Zwermgeest. Zie je het neergeschreven staan? Intrigerend. Het drukt iets heel anders uit dan gewoon een zwerm, een school of een menigte. Dit gaat over een beweeglijk wezen, een wezen met een wil.

Van de groene wereld naar de politieke wereld.

Economie wordt wel het wetenschappelijke instrument van regeringen genoemd. Economie heeft niet zoveel op met de beweeglijkheid van de zwermgeest. Zij is een behoorlijk starre ‘wetenschap’: twee eeuwen economisch denken hebben niet veel anders opgeleverd dan financiële groei als richtinggever voor vrijwel elk landsbestuur.

In de eerste helft van de vorige eeuw bedachten economen het bruto binnenlands product. Dat bbp ontwikkelde zich tot een welhaast solitaire maatstaf voor landssucces en een blije burgerij. Er zijn maar weinig regeringen die het bbp niet als basisprincipe voor hun beleid hanteren – Bhutan met zijn bruto nationaal geluk is echt een uitzondering.

Het bbp moet groeien, dat werd de grondidee van politiek-economisch beleid, dan kwam alles goed. We hebben dat geloof trouwhartig een eeuw gevolgd en het einde komt nu in zicht. De groeicurve vlakt af. De vruchten die we plukken, proeven ook steeds wranger: we eten de aarde op, we vervuilen het eigen nest.

Het wordt tijd voor een zilveren zwier. Maar waar is die geheimzinnige hand die vat heeft op de hele groep? We lijken collectief vast te zitten in een beperkende politieke overtuiging die zegt dat de voornaamste taak waar onze leiders zich mee bezig dienen te houden, de steeds verdere toename van materiële welvaart is. Niet weg van het gevaar, zoals de wortels van planten, maar liever recht eropaf. En – passend bij een beperkende overtuiging – we zien het niet.

Ik heb geen beste mededeling: wij zijn misschien de laatste generatie die de collectieve draai kan maken. Ons huis is behoorlijk aan het veranderen, door ons eigen toedoen. Desalniettemin houden economie en politiek ons halsstarrig voor het lapje met de ‘wet’ dat het bbp moet groeien. Wat te denken van die andere wet, die van de evolutie? ‘Survival of the fittest’ zit hem nog steeds in wie zich het beste weet te ‘fitten’ naar omstandigheden die wijzigen.

Economie gaat van oorsprong niet over financiële groei, maar over het huis op orde houden. Het is niet dat ik dat hier bedenk, het is haar letterlijke betekenis. Zoek het maar eens op.

Het huis op orde houden –  kunnen wij zelf ook iets doen?

Wij zouden ons eens kritisch af kunnen vragen hoe het zit met de flexibiliteit van ónze zwermgeest. Gewoon even los van die politiek en economie waarnaar het zo makkelijk wijzen is. Maar dat is een lastige.

In de documentaire De Achtste Dag, die handelt over de bankencrisis van 2008, vraagt Wouter Bos (toenmalig minister van financiën) zich af of we de boel na de crisis werkelijk hebben bezworen. Je ziet zijn gezicht betrekken. Nee, concludeert hij, tot tweemaal(!) toe. De kern van het probleem – onze zucht naar materiële bevrediging – is nog steeds onveranderd.

Wie aan onze weelde durft te tornen, tornt aan onze vrijheid. Zo wordt dat gezien. Ik voelde boosheid in mij groeien toen ik met veel vrolijkheid op de radio hoorde vertellen van een nieuwe boektitel: Pinnen in Mongolië en andere oplosbare reisongemakken. Is dat waar wij ons druk om maken als we massaal eropuit vliegen? Ik kan nog wel wat heftiger ongemakken bedenken als resultaat van dat gedrag.

Vrijheid vertalen in materiële rijkdom en in kunnen gaan en staan waar we willen, zijn uitingen van geestelijke armoede. Kate Raworth (2018) zegt daar iets vinnigs over in haar Donuteconomie: ‘Als het over consumentisme gaat, bestaat de armoede die we proberen te verhullen misschien uit onze verwaarloosde relaties met anderen en met de natuur.’ Ze moet ook boos zijn geweest.

Kate Raworth pleit voor een paradigmaverschuiving in de economische discipline. Zij keurt het blinde geloof in marktwerking en in bbp-groei af. Ze hecht aan een economisch model dat is ingebed in de maatschappij en de natuur, en waarin de gezonde verhoudingen worden hersteld. In zo’n model is op veel vlakken bemoeienis van de overheid nodig. Haar denken druist volledig in tegen de heersende opvattingen. Maar Kate Raworth brengt iets teweeg. Zij is zelf econome, zij weet waarover zij spreekt en weet gestaag andere economen mee te krijgen.

In de economische wereld zijn er vogels die een zwier weten aan te zwengelen. Moeten wij niet ook de geest gaan krijgen? Wij, consumenten. Onze zo gewaardeerde vrijheid is natuurlijk prachtig, maar is die slechts tot uitdrukking te brengen in consumeren wat we willen? Of zijn er nog andere manieren, bijvoorbeeld onszelf als mens ontwikkelen en ons intussen tevreden stellen met minder materiële zaken.

Misschien word je wel somber van zo’n moraliserende vraag. Maar ik stel hem toch, want er is eigenlijk geen keuze meer. Een collectieve draai is nodig. Het zou namelijk zo zonde zijn als die dansende spreeuwenzwermen in de schemerende avondzon niet ook door volgende generaties kunnen worden gezien.

5 mei

Bevrijdingsdag, de dag waarop Duitsland 77 jaar geleden capituleerde. Overal in het land zijn vandaag festivals gaande waarop Nederland zijn vrijheid viert. Ongetwijfeld wordt dit jaar aan die festivals op veel plaatsen een extra laag toegekend; uit piëteit met de Oekraïners, als uiting van empathie met mede-Europeanen waarvan de vrijheid op dit moment ontnomen dreigt te worden door een blinde agressor.

Ik zit nog vol van de Stille Tocht door het Joodse Kwartier gisteren vroeg op de avond en de Nationale Dodenherdenking daarna op de Dam. Ze waren weer indrukwekkend, misschien wel mede doordat de traditie zo bot verstoord is geweest als gevolg van twee jaar coronapandemie.

Bij zijn korte openingswoord voor aanvang van de Stille Tocht memoreerde Job Cohen, voorzitter van het Amsterdams 4 en 5 mei comité, dat het drie jaar geleden was dat de lopers op het Stadhuisplein, waar de tocht start, bijeengekomen waren.

Eindelijk kunnen we ons weer uiten in de publieke ruimte – laten zien waar we voor staan door als een lange stroom van mensen in een eerbiedige stilte, op de slagen van een trom het Amsterdamse centrum door te gaan, naar de Dam. Als een eerbetoon aan de Joden, de Sinti en de Roma, de homoseksuelen en al die anderen die vermoord zijn door de nazi’s; en een eerbetoon aan al degenen die daarna nog gevallen zijn door oorlogsgeweld en onderdrukking, en aan de slachtoffers van dit moment, want het geweld en de repressie zijn nooit gestopt.

De Stille Tocht volgde de gebruikelijke route: door de Joodse buurt, de Magere Brug over en via de Utrechtsestraat, het Rembrandtplein en het Rokin naar de Dam. Voor het eerst liep de stoet langs het nieuwe Nationale Holocaust Namenmonument. Vanuit straatperspectief een doolhof van bakstenen muren waarvan elke steen de naam draagt van één van de 102 duizend Nederlandse joodse slachtoffers en 220 Sinti en Roma die gedood zijn door de nazi’s en geen individueel graf hebben gekregen. Van bovenaf gezien vormen de muren vier Hebreeuwse letters die samen ‘in herinnering aan’ zeggen.

Als puntige wolken zweven strakke stalen sculpturen boven het monument, glimmend als glas, alsof ze vertellen willen: ‘Zij gingen naar de hemel.’ De objecten spiegelen in zich de omgeving van de Weesperstraat. Wil de kunstenaar ons hiermee herinneren aan wie wij zijn, aan wat onze verantwoordelijkheid is bij ons bouwen aan de maatschappij die hier recht in ons gezicht gekopieerd wordt?

Bij het monument lagen boeketten en door het smeedwerk van het hek ernaast staken witte bloemen.

Ik weet er te weinig van, van de Holocaust en van het monument. Ik heb mij voorgenomen om er op een moment buiten deze herdenkingsdagen opnieuw naartoe te gaan om er langer bij te blijven stilstaan. Maar kan iemand ooit genoeg weten?

Langs de route heeft de serene rust mij enorm getroffen. Het was zacht weer. Er waren veel toeschouwers op de stoepen links en rechts – lokale mensen en toeristen. Iedereen leek te begrijpen waar het de langzaam voorbij stappende stroom om ging. Elke toeschouwer hield de lippen op elkaar – aangeslagen, en voor dezelfde gedachten respect betonend.